Column filosofie

02jun11

Door Misha Belïën

27-5-2011: Omnifiel

Deze week vroeg ik aan Rients Ritskes of er naast een hetero- en homoseksuele verhouding ook een boeddhaseksuele verhouding mogelijk was. Hij reageerde met een enthousiaste verontwaardiging in zijn stem: ‘Natuurlijk!’
Dit thema van een ruimere vorm van liefde houdt me al lang bezig. De vervulling van het liefdesleven is voor veel mensen, zeker ook van mijn leeftijd, de levensfeer waar de meeste aandacht naar uitgaat. Bij al deze aandacht lijkt een bepaalde vooronderstelling een grote rol te spelen, namelijk dat het vinden van een levensgezel ons leven ‘heel’ zal maken. We zitten met een gemis, een leegte waarvan we hopen dat de ander die zal vullen.
Het is onmiskenbaar dat mensen elkaar in hun liefdesrelatie in sterke mate kunnen aanvullen en vervolmaken. Toch is het misschien zo dat het antwoord op het ‘levensvragen’ niet gegeven wordt door het sluiten van een relationeel verbond met de ander. En zeker niet zo exclusief als ons naarstige zoeken naar een partner lijkt te verwachten.
Boeddha kon verliefd zijn op alles en iedereen. Daardoor is hij in staat op ieder moment een antwoord te vinden op de vraag naar de zin van het bestaan. Dit is echter niet makkelijk voor te stellen. De franse filosoof en psycho-analyticus Jacques Lacan (1.) kan ons hier helpen.
Lacan maakt gebruik van een minder gangbaar psycho-analytisch vocabulair. Maar daardoor hoeven we ons niet te laten afschrikken. Hij gaat uit van een biseksuele menselijke aard, waarin aan de mannelijke kant het verlangen naar de positie van de almachtige vader richtinggevend is. Deze vader had een restloze toegang tot alle genotsmiddelen, inclusief de vrouwen. Deze positie is echter irreeël, en wat rest is een streven naar telkens weer voorlopige genotsbevrediging. Hier wordt nu duidelijker waarom ik schreef over een gemis en een uitblijvend antwoord daarop. De onophoudelijke ‘mannelijke’ zucht houdt zich een illusoire almacht voor ogen, met alle onderlinge strijd en persoonlijke onrust als gevolg.
Maar behalve deze ‘mannelijke’ aard heeft ieder van ons volgens Lacan ook een ‘vrouwelijke’ aard. Deze wordt niet gekarakteriseerd door een onbevredigbaar gemis, maar door een mystieke éénheidservaring. Over deze ervaring stelt Lacan weinig te kunnen zeggen. Voorzover we in de ‘mannelijke’ orde bestaan kunnen we hierover praten, onze macht erover uitstrekken, maar daarbij missen we het eigen wezen van dit ‘vrouwelijke’. Aan de keerzijde van het in de ‘mannelijke’ orde bevochten ding kan het op een fundamenteel andere wijze in al onze ‘vrouwelijkheid’ worden omarmt. Daarom oefenen we ons in zen hoe we zoals Boeddha verliefd kunnen zijn op al het bestaande. Worden we niet homo- of heterofiel, geen mannen- of vrouwenverslinders, geen schapenneukers of fetisjisten. Dan worden we omnifiel.


1) Alles over de hier weergegeven ideeën van Lacan komt uit: Philippe van Haute, Thomas Geyskens, De kunst van een onmogelijk genot, Utrecht 2010

16-5-2011: Zoenen

Gisteren keek ik met een vriendin uit over het Filosofendal in Beek. Groene glooiende heuvels met bosranden eromheen. Ik zoende haar en zij wist zich geen raad. Zij stamelde: ‘Is dit niet, is dit niet…’ ‘Te lichamelijk aards?’, vulde ik haar aan. Zij antwoordde met een dubbelzinnig: ‘Ja!?’ Deze dubbelzinnigheid is voor mij, en ik denk voor veel mensen een herkenbaar gegeven. We willen niet leven voor onze lusten, maar onze verlangens lijken hun eigen onverachtzame waarde met zich mee te dragen. Wat is wijsheid in dit dal?
Kant geeft ons de volgende stelregel: ‘Handel zo dat de maxime van je wil altijd tegelijk als principe van algemene wetgeving kan gelden.1) Volgens de Duitse meester hebben we een vrije wil wanneer die bepaalt wordt in overeenstemming met bovenstaande wet. Deze ‘vrije’ en algemene wilsbepaling komt echter voortdurend in botsing met onze ‘onvrije’ persoonlijke neigingen. En dat leek nu ook het geval in de weifelende reactie van deze vriendin op mijn kus.
Wat de algemene wet betreft kunnen we stellen dat wij onszelf en de ander niet als object van onze sexuele lusten willen gebruiken. Wellicht wijk ik hier af van Kant, maar om in zentermen te spreken: We willen ons niet identificeren met de vormen waarvan we inzien dat ze niet ons wezen uitmaken. Aan de andere kant geeft de vereenzelviging met de rol in de sexuele relatie het gevoel dat je je plek in de alledaagse wereld optimaal vervult. In zentermen: We moeten vorm hebben om in het leven te kunnen staan. Maar Kant merkt op dat onze rede onze beweegredenen‘…toch altijd naast de zuivere wil houdt…2) Naast de wil van het niet-willen zouden we misschien in zentermen zeggen. In het aannemen van vormen komen we er (vaak uit frustratie) telkens weer achter dat we minstens zozeer geïnteresseerd zijn in dat wat niet éénvormig, wat leeg is.
Kant schrijft dat het de hoogste deugd is om zoveel mogelijk in overeenstemming met de bovengenoemde algemene regel te leven. Hij stelt echter dat dit ons nooit tot in het ideale zal lukken 3). Mijn vriendin gaf zelf een heel mooi antwoord op haar twijfel. Ze zei: ‘Het hoeft niet zo te zijn dat lust altijd met liefde samengaat, mits je in je liefdesrelatie allebei kan ervaren.’ En ik voegde eraan toe: ‘Dus gaat het erom niet vast te houden aan één van de twee.’
Hopelijk is het dan wijs om haar te zoenen en te doen waar de lente ons om vraagt. Maar dit terwijl we proberen ons het wonderlijke vormenspel bewust te zijn waar onze ‘zuivere wil’ over fluistert. Misschien dat de zoen zich dan in het volle licht van egocentrische en egoloze motieven kan voltrekken. Ontstaat er een zoen die ons op kan winden en verlammen.


1) Immanuel Kant, Kritiek van de praktische rede, Amsterdam, 2006, P.72
2) Idem. P.74
3) Idem. P.75

28-4-2011: Chocola maken met zen

Op mijn oude zolderkamer in het huis van mijn ouders trek ik boekjes uit de kast. Dingen die ik las op de middelbare school en in de eerste jaren van mijn studietijd. Op de eerste bladzijden staan dagboekaantekeningen. Ook heb ik er genoteerd op welke bladzijde ik iets moois heb gelezen. Ik zoek de citaten op.

‘Rozijnen kunnen wel het beste van een koek zijn; maar een zak rozijnen is niet beter dan een koek; en wie in staat is, ons een zak vol rozijnen te geven, kan daarmee nog geen koek bakken, laat staan dat hij iets beters kan.’

Dat schrijft Wittgenstein als losse aantekening in zijn manuscripten. Ik herken het meteen. Een kernachtige gedachte. Zeker ook op deze plek in mijn ouderlijk huis.
De jaren die ik in deze kamer als adolescente jongen doorbracht waren een rafelige en breekbare aaneenrijging van telkens weer hoog opgegooide krenten. Ik had veel ideeën, veel plannen, wist van alles hoe het zat, en hoe het wel en niet moest. Met geweld probeerde ik mezelf en mijn omgeving te overtuigen van de juistheid van mijn inzichten. En verontwaardigd als ik was over het gebrek aan weerklank verharde en fragmenteerde ik des te meer.
Om met de woorden van Rients Ritskes te spreken was ik allesbehalve een ‘heel mens’. Zowel voor de mensen om mij heen als voor mijzelf kon ik van al de ingrediënten die ik aantrof geen ‘chocola’ maken. Ik was een zak rozijnen die ik zelf niet kon hanteren, noch kon overhandigen aan de mensen om mij heen.
In zen vind ik de harmoniserende energie, het deeg dat mij in staat stelt een koek te bakken waarin de verschillende aspecten van mijzelf tot hun recht komen. Daarvan geniet ik inmiddels al volop. Ik ben voor mezelf en anderen veel gemakkelijker te verteren. En om met een laatste etensmetafoor te eindigen: Wie weet komen er nog eens gekonfijte, én kleurrijke kersen op de koek!

13-4-2011: Zen en filosofie?

Nietzsche lezen in de bus stemde mij vandaag heel opgewekt. Mijn geest was in staat om zich met Nietschzes gedachten over de eeuwen heen uit te strekken. Tegelijkertijd wist ik te genieten van het lentegroen waar we aan voorbij reden. Nietzsches analyses van eeuwenlange geschiedenissen vielen zo op hun plek achter een busraam.
Maar ik had deze blijdschap nog niet opgemerkt of ze verdween als een sneeuwklokje in de zomer. Want wat waren al deze analyses waard? Wie werd er van al dit ingewikkelde denken nu beter van?
Dit is een lastige vraag. Het denken lijkt zich soms in zichzelf te verliezen en schiet daarmee zijn doel voorbij. Maar anderzijds is het denk ik ook niet wijs om het denken uit de weg te gaan. Het denken is ons daarvoor te zeer eigen. Het is om in boeddhistische termen te spreken, wellicht ons grootste lijden. Maar is het daarmee ook niet ons grootste geluk?
Zittend achter het busraam gaf Nietzsche mij een antwoord. Iedereen die zijn eigen driftleven onderzoekt zal ontdekken, zo schrijft Nietzsche: ‘…dat ze alle al eens filosofie bedreven hebben…’ Want of je nu wilt of niet: de innerlijke krachten waardoor we in ons leven gedreven worden zullen zich vroeg of laat proberen te verabsoluteren in ons denken. De grootste kracht zal proberen de anderen de mond te snoeren, en ons maken tot de ergste soort van filosofen: tot dogmatici. Want, schrijft Nietzsche: ‘…iedere aandrift is heerszuchtig: en als zodanig tracht hij te filosoferen.’
Nietzsche bracht mij hiermee een gepaste waardering voor het denken bij. Het denken geeft ons merktekens ten opzichte waarvan we onze richting kunnen bepalen. Het geeft ons te kennen wat ons te doen staat. Maar Rients Ritskes geeft bij al dit denken wel een waarschuwing mee. Identificeer je niet onbewust met je gedachte. Want alleen wanneer we ons niet identificeren met ons denken kunnen we ons erop oriënteren, in plaats van dat we ons erdoor laten sturen.
Als dit lukt dan doen we onszelf een groot plezier. Dan zijn we voortdurend voorzien van vormen waar we in een vloeiende beweging vanaf kunnen glijden in de leegte, terwijl we glimlachen om het vallende gevoel in onze buik. Dan kunnen we uit het busraam kijken naar de ontluikende bomen, genietend van Nietzsches aforismen, en als we uitstappen opgewekt gedag zeggen tegen de buschauffeur. Mij geeft het bovendien een uitdagende opdracht voor de komende filosofische columns. Een fijne lente!

24-6-2010: De deur door

Als restant van mijn korte studie aan de kunstacademie heb ik de ambitie om beeldende kunst te maken. Daarnaast leeft in mij het verlangen om proza, filosofie en muziek te schrijven. Ook wil ik een documentaire maken, mijn studie filosofie cum laude afronden, en om de zoveel tijd het gezelschap van een mooie, slimme vrouw genieten. Bovendien besef ik dat ik ten diepste niets liever wil dan mijn leven leiden in navolging van de Boeddha.
Dat geeft nogal wat te doen. Zo had ik dit weekend een expositie voor jonge kunstenaars. Toen ik Rients Ritskes daar na een meditatie-bijeenkomst over vertelde raadde hij mij aan om me meer te concentreren op mijn zentraining. Tijdens zijn teisho van die avond had hij het gehad over het vinden van inspiratie in alle facetten van het leven. Nu zei hij tegen mij:
‘Inspiratie kun je overal in vinden,
maar als je het overal
tegelijk uit probeert te halen
vind je vooral frustratie.’

Dit weekend bewees me zijn gelijk. Twee dagen stond ik in de expositieruimte en vertelde af en toe een verhaaltje bij mijn werk. Sommige bezoekers gaven enthousiast commentaar, anderen liepen onverschillig voorbij. Maar zowel de enthousiaste als onverschillige reacties maakten niet veel in me los. Wel ontwikkelde ik gaandeweg veel weerstand tegen het exposeren. Dat ging door tot een mevrouw me vroeg wat er te zien was en ik haar spottend antwoordde: ‘Allemaal rommel!’.
Ik denk dat ik weet wat die weerstand veroorzaakte. Alle dingen die ik daar liet zien gingen over een transformatie van de werkelijkheid door middel van inzicht. Maar in mijn beleving ging het teveel over dit andere perspectief. Het was niet intensief betrokken op de doorleefde oefening van dit andere perspectief, waardoor het bleef bij flirten met iets waarachtigers. Bovendien lag het voor de hand om mij als kunstenaar te prijzen voor deze flirt. Daar is op zich niets mis mee, maar zolang ik mijn identiteit ermee verbind vind ik het benauwend.
De komende anderhalve maand ga ik een intensieve zentraining tegemoet, met twee sesshins en daartussen een wandeling naar Denemarken. Met deze tocht in het achterhoofd bekeek ik deze week de bovenstaande foto met andere ogen. De volgende zin kwam bij me op: ‘Vijf jaar geleden maakte ik deze deur, nu probeer ik er echt doorheen te gaan.’ Ik wens iedereen een hele mooie zomer, en hoop in augustus met alle opgedane inspiratie een volgende column te schrijven!

9-6-2010: Vorm en leegte in het ritueel

Sinds ik in de vorige column schreef over Lacans tweedeling tussen onze ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ zijden heeft die me niet meer losgelaten. Deze tweedeling lijkt een model te kunnen bieden waarin de zin van onze zenbeoefening kan worden verhelderd.
Kort gezegd bevinden we ons in de ‘mannelijke’ orde wanneer we naar iets streven. Zelfs ademhalen is in die zin ‘mannelijk’. Taal speelt een grote rol in de totstandkoming van de structuur waarin dit streven opkomt. Het woord maakt het ding waarnaar we streven sterk aanwezig. We zijn daarnaast ‘vrouwelijk’ vanuit het geleefde inzicht van eenheid, van zijn met wat er is. Los van dit of dat ding. Ik vermoed dat het ons in zen precies te doen is om een balans te vinden tussen deze twee zijnsmodi. Het volgende voorbeeld kan dit illustreren:
Een bekende paradox in de zentraditie is die tussen discipline en spontaniteit. We buigen, lopen, eten, en zingen strak in het gelid. Onderling beoordelen we elkaar of we het wel goed doen, waarbij we de zenmeester als ultieme maatstaf veronderstellen. In ons streven naar perfectie is de één beter dan de ander. Er is gelegenheid tot competitie, streven, spanning. Anderzijds ligt de nadruk in zen op spontaniteit. Op een vloeiend automatisme. Loskomen van het egostreven. De paradox is compleet wanneer vervolgens wordt gesteld dat de discipline, de orde waarin ons streven vorm kan krijgen, juist in dienst van dit vloeien staat. In de discipline waaraan wij ons moeten conformeren wordt ons de kans geboden om ons vrij te gedragen en te voelen. Hoe kan dit?
Met behulp van Lacans tweedeling lijkt dit te kunnen worden verhelderd. Veel in mystiek geïnteresseerde mensen zijn zich er op enigerlei wijze van bewust dat de plek die zij met hun persoon innemen niet de zin uitmaakt van hun bestaan. Hun ‘vrouwelijke’ ongevormde aard weet zich geen raad met de ‘mannelijke’ orde. Dat kan heel verwarrend zijn, mensen onzeker maken in hun doen en laten. Zen helpt hierbij.
In de zendiscipline krijgen we een rol, met alle bijbehorende emoties, maar nu op zo’n manier dat er tijd en ruimte wordt geboden om de ‘vrouwelijke’ zijnsmodus erbij te betrekken. We hebben aandacht voor de manier waarop we op de bel slaan, en hoe dit beter of slechter klinkt dan bij de ander. Hoe dit ons ego streelt of krenkt. Nu echter zonder met dit gestreeld of gekrenkt worden samen te vallen. We disciplineren ons om in harmonie te midden van vorm en leegte te leven. Om niet waanzinnig te worden van het onbegrijpelijke, en niet dwangmatig in ons begrijpen.

Advertenties


One Response to “Column filosofie”

  1. wel-is waar drie jaar geleden , maar spannend om te lezen!…..


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: